Door: Céline Stalman

Ik was 5. Ik ging vaak mee met papa. Hij ging naar zijn vadertje en zo kon ik vaker bij mijn vadertje zijn als hij niet moest werken. Opa zat in een stoel. Een grote stoel. Een andere stoel. Opa kon niet meer praten, al praatte wij samen met de gave die hij ook stiekem had. Onze ogen spraken met elkaar. Opa kreeg zorg in een verzorgingstehuis. Hij had een hersenbloeding gehad en dubbele hartaanval, de helft van zijn lichaam was verlamd. Ik hielp altijd de zusters. Dat wou ik altijd graag, die dames zagen mij voor hoe ik was. Meestal mocht ik kopjes koffie brengen naar de mensen of ik ging even buurten bij de andere bewoners. Een van die bewoners was Mevrouw de Vries. Zij zat altijd links in het hoekje, op een grote oranje stoel. Soms hielp ik haar (als het mocht) met kruiswoordpuzzeltjes. Ze was een grote vrouw met hoog opgestoken grijs haar. Ze had een strenge blik en een ruw gezicht, een gezicht van een vrouw die haar hele leven hard gewerkt heeft. Ik vond haar best fascinerend. Ze kon zo lief zijn, terwijl andere keren ze de oren van mijn hoofd schold. Ze kon het niet tegenhouden. Het floepte er zo uit. Ik nam het niet persoonlijk. Als ik bijvoorbeeld een woordje in haar puzzel eerder had gevonden, liet ze weer hard haar rijkelijke vocabulaire horen.

Wanneer ik terugliep naar de kamer van Opa had je 99% kans dat je Marieke tegen het lijf liep. Marieke woonde ook in het tehuis en liep de hele dag rondjes door het gebouw. Ze was een vrouw van in de 70 denk ik, ze was klein en tenger en had een gigantische bochel. Aan haar uitgedroogde lippen hing altijd een beetje kwijl, wat ik dan met mijn eigen mouw altijd afveegde. Ze had krampachtige handen met dikke aders en lange nagels. Ze hield zich altijd zo hard vast aan de leuningen dat haar knokkels er geel van werden.  Hoe klein ik ook was, ik voelde me altijd verbonden met haar. Ze mompelde en praatte woorden die niemand begreep, maar als ik naar haar luisterde vertelde ze altijd over haar reis in Zuid-Afrika met haar man. Ze had ze misschien niet alle op een rijtje, maar toch is ze meerdere malen ontsnapt omdat ze de toegangscode van de deur stiekem had onthouden. Telkens werd de code veranderd ” want Marieke…”  Plots was Marieke weg. En Mevrouw de Vries ook. ‘Verhuist’ zei de zuster.  Rond haar hoofd zweefden zwarte vlekken. Ik wist wat die vlekken waren. Die kreeg mama ook altijd als ze loog over hoe ze zich voelde, of me niet wou kwetsen met de waarheid. Toch had de zuster ergens wel gelijk.  Ze waren inderdaad verhuist. Maar ik wist heel goed waar ze naar toe waren gegaan.

Daar zat Opa. In de grote stoel. Met een slabbetje om. Papa zat vaak uren bij hem. Elke dag. Als het even kon 2 keer per dag. Gewoon, er te zijn.  Ik tekende en kleurde met mijn nieuwste blaadjes en stiften. Zijn prikbord hing ook helemaal vol met mijn tekeningen. Aan zijn ogen kon ik altijd zien hoe leuk hij dat vond. Aan mijn Opa heb ik mijn andere gave te danken. Zijn creativiteit zit in mijn genen. Zijn kunstzinnige kijk. Dat stukje van hem zal ik altijd bij me dragen.

Soms gingen we naar buiten wandelen. Dan kreeg hij zijn geruit baretje op zijn hoofd en een deken over hem heen. Papa duwde hem voort. Ik hield dan zijn hand vast als die onder de dekens uit stak. We liepen dan altijd langs een enorme treurwilg. De verstopboom noemde we die. Je kon je verstoppen tussen de laaghangende takken. Als we terug naar binnen liepen werd hij altijd zo boos als we uit de lift moesten stappen. Hij greep zich vast aan de leuning en liet niet los. Hij was zo sterk. (Soms deden ze armworstelen. Vaak verloor pap zelfs, zo sterk was hij.) De geluidjes die hij nog kon voortbrengen duwde hij er heel boos uit. Vaak voelde ik in de lift aan papa dat hij nerveus werd als dadelijk de strijd weer zou beginnen. Heel recent is Opa even naar me toe gekomen. Ik stond af te wassen. Ineens was hij er. Ik voelde hem achter me. Ik voelde me verheugd want ik had hem jaren niet meer gesproken. Hij liet me fragmenten zien uit mijn herinneringen. Alsof er, op het moment dat wij zijn hand probeerde los te wurmen, iemand ons stond te filmen. Hij vertelde me waarom hij telkens zo boos werd. Hij wou niet terug naar binnen, naar die plek, die vorm van leven. Als hij niet naar buiten zou gaan, zou hij ook niet terug naar binnen moeten. Ergens heb ik het altijd gevoeld, een boosheid. Hij wou niet leven hoe hij 7 jaar geleefd heeft.

Hij is gestorven toen ik 12 was, in Juni 2008. Zijn situatie verslechterde en we besloten hem niet verder te laten lijden. De laatste keer dat ik hem zag was erg schokkend, het was niet meer de Opa die ik kende. Papa legde zijn handen op mijn schouders en leidde me naar hem toe. Ik weet nog goed dat ik een armbandje geknutseld had en hem die om zijn linker pols heb geschoven.  Daar heb ik jaren aan moeten denken, dat armbandje. Het allerlaatste wat hij gekregen had van iemand was van mij. Daar ben ik zo lang verdrietig over geweest. Ik kon niet begrijpen niet dat hij nu samen met dat armbandje weg was.

Met Kerstmis datzelfde jaar bleef Oma bij ons slapen, het was laat en ze wou niet rijden in het donker. Ze sliep in mijn bed en ik lag in het bed van mijn broer. Ik lag nooit graag op die kamer, zeker niet in die hoek waar het bed stond. Die nacht verscheen Opa in de deuropening. Ik werd wakker en zag een fel wit licht achter hem. De hele kamer lichtte op. Ik zag zijn contouren en zijn ruiten baret. ”Kom mee met mij, het is zo fijn daarboven!” Hij liep naar me toe en reikte zijn hand naar me uit. Ik aarzelde en bij een poging te spreken verdween hij. Ik was verward toen ik zag dat mijn broer gewoon nog sliep. Na die nacht is hij heel vaak aan mijn bed geweest. Ik voelde dat iemand op mijn bed kwam zitten. Hij keek enkel naar me. De eerste keren werd ik zo bang dat hij zich niet liet zien. Nachten daarna werd het normaler. Verschillende malen heb ik geprobeerd te praten met hem. Zonder succes. Als mijn mond alleen al openging verdween hij weer. Er waren ook nachten dat ik te moe was om mijn ogen open te doen. Dan zei ik meestal dat hij naast me moest komen liggen. Dat deed hij dan ook. De lakens hoorde ik dan kreuken. Een zachte energie gloed ging er dan altijd door me heen. Als er koude rilling langs me heen ging wist ik dat hij ‘platlag’. Ergens vond ik het heel fijn dat hij altijd bij me was, het gaf me een veilig gevoel en zo was ik nooit alleen.

Mijn ouders wisten eigelijk niet dat ik dit allemaal zag en ervaarde, we spraken er niet over, ze wisten niet eens dat ik deze extra voelsprieten heb. Tot mijn vader en ik op een avond onze hond uitlieten. Wandelen was altijd zo gezellig. We liepen altijd hand in hand. Papa heeft altijd koude handen. We spraken over ditjes en datjes, school, ballet. Ik vertelde het doodnormaal aan hem. Hij moest even slikken maar vertelde toen dat hij Opa ook ooit had gezien aan zijn bed. Maar 1 keer. We waren het ermee eens dat we dit nog niet aan mama zouden vertellen. Achteraf denk ik dat papa er zelf even geen raad mee wist en het even moest verwerken.

De dagen en weken daarop kwam pap regelmatig naar me toe en vroeg of ik Opa nog had gezien of gehoord. Hij verscheen minder maar ik voelde hem wel. Van mijn antwoorden vielen altijd zijn schoenen half uit. ”Oh, hij is nu in de woonkamer”. Ik wist het gewoon. Ik voelde waar hij was. Bij mijn vader voelde ik altijd een oprechte interesse wat mijn moeder minder had. Ze vond het eerder akelig en kon het niet goed begrijpen. De jaren daarop bleef Opa bij me hangen. Het was niet nodig dat ik hem zag, om te weten dat hij er was. Hij stuurde me een grote zwarte Raaf. Zijn reïncarnatie. Een elegante vogel die elke ochtend voor mijn raam stond. Ik zag mijn opa in de ogen van de raaf. Zo dicht kon ik bij de vogel komen. Jaren is Raaf bij me geweest, overal waar ik heen ging zag ik hem. Nog steeds vliegt hij met me mee als ik met de auto rij. De boodschapper dat een stukje van zijn ziel nog altijd bij me is.