Door: Céline Stalman 

Mijn moeder moet altijd geweten hebben dat ik anders was dan de andere kindjes. Ik moet 3 of 4 zijn geweest dat ik dingen begon te zien. Ik kon haar zo indringend aankijken, dat ze er bang van werd. Mijn ogen zagen zoveel rond haar hoofd gebeuren. Stralen, dampen, vlekken, kleuren, vlammen. Het was altijd net een film als mama boos werd. Ze duwde haar gevoelens altijd weg in het belang van de kinderen. Dat was haar zo geleerd, men mocht immers als huisvrouw niet zwak zijn of emoties tonen naar de buitenwereld. Er werd van je verwacht dat je de perfecte moeder en vrouw was. Haar voorbeeld was haar moeder, die in deze enorme machtspositie verroest zat. In die tijd sprak men helemaal niet over gevoelens, emoties of energieën. Ze wisten ook gewoon niet wat energieën waren. Mama was in tegenstelling tot haar moeder op sommige vlakken directer. Echter, haar ware gevoelens uitte ze maar zelden. Al was ze verdrietig en moest ze huilen, dan nog zou ze me vertellen dat alles ok was. Als ze al haar traantjes durfde te laten zien deed ze dat in de keuken, in het geheim. Maar ik zag mama. Ook in het geheim. Ik keek niet naar haar gezicht, ik keek naar haar gevoel. Wanneer ik voelde dat ze niet lekker in haar vel zat, ging ik snel een mooie tekening voor haar maken.

Tekenen

Een belangrijk thema in mijn leven was en is tekenen. Als ik teken vergeet ik alles om me heen. Sinds ik een potlood vast kon houden, tekende en knutselde ik. Van alles maakte ik iets leuks. Het gebeurde gewoon. Ik zag iets en ik maakte er iets van. Zeker in de tijden van pesterijen was tekenen en knutselen mijn vlucht. Ik gaf iedereen tekeningen. De keuken van de lokale Griek moet zo vol hebben gehangen van mijn kunst dat er barsten in de muurfundering ontstonden. Het gaf me voldoening als ik iemand blij maakte met mijn creaties. Het gevoel van geaccepteerd te worden, het gezien worden. Het was alsof ik elke keer een stukje van mijn ziel aan iemand gaf. De belangrijkste persoon die mijn tekeningen mooi moest vinden was mijn vader. Telkens deed ik zo mijn best om mezelf te overtreffen, zodat papa het mooi zou vinden. Weer een extra stukje ziel voor hem in de tekening. Tijdens het tekenen ging er dan van begin tot eind door mijn hoofd dat deze voor papa zou worden en hoe ik hoopte dat hij mij zou zien. Zo trots als ik was hield ik de tekening stevig tegen me aan, duwde ik er nog wat extra energie in en liep naar zijn kantoor.

Papa

Hij werkte thuis. Op een heel klein kamertje. Op een super onergonomische stoel. Wanneer ik de deur op een kiertje duwde zag ik alleen de rugleuning van zijn stoel. Als hij op de computer bezig was liet hij me even binnen. Hij keek dan eventjes naar de tekening, complimenteerde me en lag hem dan op een stapel papierwerk. Als hij aan de telefoon was zag hij niet direct dat ik vol trots de deur zachtjes openmaakte. Wanneer hij dit toch opmerkte, kreeg ik zijn boze blik te zien, zijn werkblik. Zijn voorhoofd fronste zo hard dat er rolletjes ontstonden. Maar dan kwam het handje. Het wapperend handje als teken dat je weg moest gaan. Ik moest weg. Dus ook mijn tekening moest weg. Hij wou me niet zien. Hoe kon hij nu mijn tekening niet willen zien? Ik had mijn nieuwste stempeltjes en glittergelpennen gebruikt. De afwijzing met het handje deed zo’n zeer. Als 6-jarige begreep ik niet dat hij een belangrijke klant aan de andere kant van de lijn had en dat hij een miljoenen project binnen probeerde te slepen. Ik voelde enkel en alleen dat dit afwijzing was. Dit leidde tot een diepgewortelde nood aan bevestiging van papa, wat ik tot op heden nog altijd merk. Het verdriet van die afwijzing met het wapperend handje zette me aan tot een nóg mooiere tekening te maken voor hem, eentje die hij toch écht niet kon wegwapperen. Dat cirkeltje heeft heel lang bestaan. Hij wist het niet. De impact die zijn hand had op mij. Mama probeerde het dan altijd weer goed te praten bij me. Dat hij hard aan het werk is en dat zij de tekening wel heel mooi vond. Als ik dan naar haar gevoel keek, voelde ik dat er bij haar ook een stukje verdriet schold door zijn hand. Zelf werd ze ook vaak weggewapperd. Net als ik.

Mama

Tekeningen voor mama lagen ook soms heel gevoelig. Ik wou altijd iets tekenen voor mama waar zij blij van werd of wat ze mooi vond. Dat waren bloemen. Als ik dan een tekening af had, waar ik ook weer een stukje ziel in had gestopt, aanschouwde mama deze altijd even vrolijk. Ze vond ze altijd wel mooi maar er miste altijd iets voor haar. ”Wat is het?” vroeg ze soms. Of ”Hier kan je toch nog wat extra’s bij tekenen”. Mijn gevoel en ik werden altijd zo verdrietig als mama dan niet zag dat ik een bloem, grasveld of iets anders uit mijn hart had getekend. In het enige waar ik echt vrij kon zijn werd ik toch emotioneel weer beladen. Wederom neem ik mijn moeder, noch mijn vader iets kwalijk. Mama was een perfectionist. Ze heeft een moeder als rolmodel gehad die haar hele leven al toneelspeelt als de perfecte huisvrouw. Mijn vader had gewoon zijn doel voor ogen: inkomsten. Ze wisten toen ook nog niet dat ik zo ontzettend gevoelig was voor eigenlijk alles.